Kunst(on)zinnig

Kunst(on)zinnig

In het Miró-museum dat ik met een vriend her-bezocht, wilde ik ongestoord genieten van het werk van de Catalaanse meester. Het aanbod van een (audio)gids sloeg ik af; kunst neem ik het liefst ‘ongefilterd’ tot me. Duiding door derden, gevraagd of ongevraagd, komt zo’n persoonlijke belevenis mijns inziens vaak niet ten goede.

Hoewel ik een bewonderaar ben van het werk van Joan Miró en van gelijkaardige abstracte kunst, ben ik verre van een kunstkenner. Stromingen als surrealisme, kubisme en dadaïsme zijn mij niet vreemd maar daar houdt het wel op. Voor kunst geldt hetzelfde als voor voetbal: je moet er niet teveel over lullen maar ernaar kijken.

Het ging lang goed; het weerzien met Miró’s schilderingen deed deugd. Maar na de minder geslaagde overgang van doek naar textiel, bij Sobreteixim 17 (1973), kwam de klap. Er stond een koppel voor me, Nederlanders ongetwijfeld. Slecht gekleed, luid en niettemin pretentieus. Ik kon hen niet niét horen en even speet het me dat ik die koptelefoon had afgeslagen.  Ze recenseerden het kunstwerk alsof het 46 jaar later nog openstond voor (hun) inspraak.

Toen de man, type GroenLinks 020, riep: “dit heeft veel meer diepte dan zijn espressonisme in de begintijd”, schoot ik plots in de lach. Verstoord draaiden de twee zich om: “que pasa?” Waarop ik bijna fluisterend antwoordde: “sorry, ik ben enorm aan sterke koffie toe.”

2019-08-03T17:48:10+01:00août 3rd, 2019|Barcelona, Nederland, Nieuws, Politiek, Vrienden|